Laten we dan drinken

 

 

 

 

Toneelstuk geschreven door Kasim Matrood

Nederlandse vertaling:  Naji Rahim

 

 

 

 


 

                        Duisternis. Geluid van een passerende trein. Terwijl het geluid geleidelijk verdwijnt, worden kiezel en zand zichtbaar op het toneel.

                        Kiezel en zand verdwijnen en de sfeer op het toneel verandert; maakt plaats voor een ruimte van vervreemding en verharding. De ruimte is omgeven door heuvels.

                        In de verte – op de achtergrond – ligt een spoorwegovergang met spoorbomen en de rails. De verf op de spoorbomen bladdert af. Daarnaast een half afgebroken bord met de naam van een stad die tevens door afbladdering onleesbaar geworden is… Op het midden van het toneel twee stenen zitplaatsen bij een aantal grafzerken en op de grond twee klauwhamers.

 

Echtgenoot:    (met een zijdelingse blik op zijn vrouw) Ik was een kind en ik ben oud aan het worden.

Echtgenote:    (wisselt een blik met hem) Dat geldt ook voor mij.

Echtgenoot:    (even later) Het is mooi dat we ´s nachts slapen en ´s morgens weer wakker worden.

Echtgenote:    Precies.

Echtgenoot:    Ik eet niet, tenzij ik honger heb.

Echtgenote:    Ik ook niet. (even later) Ik hou echt van de ochtend.

Echtgenoot:    Dat geldt ook voor mij.

Echtgenote:    Ik ben bang voor de zonsondergang en ik loop niet graag in verlaten straten.

Echtgenoot:    (knikt)

Echtgenote:    Ik ben bang voor de voetgangers.

Echtgenoot:    Dat geldt ook voor mij. (even later) Wie ben jij?

Echtgenote:    Ik ben je vrouw.

                        (De echtgenoot staat op, klaar om weg te gaan… Hij loopt in de richting van de spoorweg.)

Echtgenote:    (zonder dat zij haar gezicht naar hem toedraait) Waar ga je naartoe?

                        (De echtgenoot gebaart dat hij het niet weet) Kom maar terug. Het lukt je toch niet.

Echtgenoot:    (hij gaat terug naar zijn plaats terwijl de vrouw van haar plaats opstaat) Waar naartoe?

Echtgenote:    Ik ga de droom onderzoeken. (ze loopt over het toneel) Ik voel dat mijn teint is veranderd en de kleur van mijn haar is door de jaren uitgedroogd… (even later) Heb je een kam?

Echtgenoot:    Ik heb honger.

Echtgenote:    (terwijl ze over haar haren strijkt) Kijk, mijn haar valt uit of het gaat dood … (en terwijl ze zoekend rondkijkt) Hier, dit is een zwarte haar van mij en deze is wit, en deze pluk is grauw geworden. (ze pakt de stoffige aarde met beide handen) Hier bouwen wij ons kleine huis en hier zetten wij ons bed en om het bed bouwen wij onze slaapkamer.

Echtgenoot:    Ze hebben zijn aankomst aangekondigd.

Echtgenote:    Van wie?

Echtgenoot:    Van de trein.

Echtgenote:    En dan?

Echtgenoot:    Dan gaan we reizen. We nemen de plattegrond van het huis mee, met daarop de volmaakte hoek waar ons bed zal staan.

Echtgenote:    Maar hij is laat.

Echtgenoot:    Wie?

Echtgenote:    De trein.

                        (een langere stilte) Hebben wij kinderen? Ik zal mijn gezicht in de spiegel bekijken. (even later) Hebben wij een spiegel?

Echtgenoot:    (staande tegenover haar) Hier ben ik; heb je een kam?

Echtgenote:    En ik ben hier ook.

Echtgenoot:    Wat zie je?

Echtgenote:    Een verdrietig kind.

Echtgenoot:    In de spiegel?

Echtgenote:    We zullen een verdrietig kind krijgen.

Echtgenoot:    (hij verwijdert zich van de vrouw) Daar ben ik bang voor.

                        (Een man, gekleed als controleur, komt op. Hij klapt in zijn handen. Direct gaan de echtgenoten op hun zitplaatsen zitten. De controleur haalt een pen en notitieblokje tevoorschijn en begint te schrijven. Hij kijkt naar de echtgenoot die tegen hem wil praten, maar hij legt hem het zwijgen op. Hetzelfde doet hij met de echtgenote. Hij stopt de pen terug in zijn zak en gaat af.)

Echtgenoten:  (tegelijkertijd) Ik wou zeggen …

Echtgenoot:    Maar hij heeft al in mijn behoefte voorzien.

Echtgenote:    Dezelfde behoefte sinds mensenheugenis.

Echtgenoot:    Dat geldt ook voor mij.

Echtgenote:    Hij is mij altijd voor en hij vult mijn binnenste.

Echtgenoot:    Dat geldt ook voor mij.

Echtgenote:    Is dat zo?

Echtgenoot:    De tijd is nu rijp.

Echtgenote:    We doen hem weg.

Echtgenoot:    Vermoord hem.

Echtgenote:    Hoe?

Echtgenoot:    Vermoord hem met een touw.

Echtgenote:    Dat lukt mij niet.

Echtgenoot:    Mij ook niet… 

Echtgenote:    Vergiftig hem dan.

Echtgenoot:    Hoe?

Echtgenote:    We doen het gif in een fles en geven het hem.

Echtgenoot:    Dat lukt mij niet.

Echtgenote:    Maar…

Echtgenoot:    Ik heb behoefte om te schreeuwen.

Echtgenote:    De uitgestelde behoefte.

Echtgenoot:    Ik voel me benauwd; ik ga schreeuwen; nu.

Echtgenote:    Toe maar!

Echtgenoot:    Hij moet vermoord worden.

                        (een korte stilte)

Echtgenote:    Ben je de afgelopen tijd bij mij geweest?

Echtgenoot:    Ik pakte mijn boeken en liep door het hoge gras, terwijl ik mezelf afvroeg: Wanneer zal ik aankomen?

Echtgenote:    En in de tijd van de afbraak; was je toen ook bij mij?

Echtgenoot:    Misschien – omdat ik nog niet wakker genoeg ben om de richting van mijn school vast te stellen.

Echtgenote:    Nog voor eergisteren…

Echtgenoot:    … zaten we samen te wachten.

Echtgenote:    Hij is laat.

Echtgenoot:    Hij zal komen en hij heeft neerslachtigheid op sleeptouw.

Echtgenote:    En ik speel met mijn kleine pop; ik maakte haar ogen op met kohlpotlood en haar lippen met rode lippenstift; ik trok haar de mooiste kleren aan, ik zette haar aan de rand van de trein die daar al jaren stopt en nog voordat ik het kussen naast haar leg om haar op de morgen te laten slapen, beweegt de trein en vertrok met mijn pop, zonder dat ik wist of de pop schreeuwde, of ik.

Echtgenoot:    Ik pakte mijn potlood en probeerde het te slijpen, maar bij elke poging voelde ik het bloeden, vermoord ik hem, breek ik zijn nek, totdat hij zo klein geworden is dat hij in de puntenslijper verdwijnt.

Echtgenote:    Hij is laat.

Echtgenoot:    Ik voel zijn voetstappen op mijn hart drukken; hij komt dichterbij.

Echtgenote:    (terwijl ze naar haar man wil gaan) Ik heb behoefte …

                        (De man, gekleed als ober, komt op met een aantal drankflessen. Hij gebaart de echtgenote dat ze stil moet zijn en dat ze moet gaan zitten … De echtgenote zit … De ober zet de flessen voor haar neer … De echtgenoot haalt een kaart uit zijn zak en geeft die aan de ober. Die bekijkt en verscheurt hem; de stukken gooit hij op de grond. Hetzelfde gebeurt tussen de ober en de echtgenote. Voordat de ober afgaat, gebaart hij de echtgenoten dat ze moeten drinken.)

Echtgenoot:    (pakt een van de flessen) Laten we dan drinken.       

Echtgenote:    (pakt ook een fles) We drinken.

Echtgenoot:    (met zachte stem) Maar …

Echtgenote:    (ook met zachte stem) Hij moet dood.

Echtgenoot:    Dit is een andere dag.

Echtgenote:    Voor jou of voor mij?

Echtgenoot:    Voor jou, ge-lief-de (de man spreekt het heel moeizaam uit)

Echtgenote:    (de fles valt uit haar hand) Ik ben net als jij.

Echtgenoot:    het is mooi om ´s nachts te gaan slapen.

Echtgenote:    Ik ga alles opruimen. (ze gaat naar de diepte van het toneel) Hier zal ik van mijn kleintje bevallen.

Echtgenoot:    (met een zachte stem) En hier gaan we dood.

                        (een korte stilte)

Echtgenote:    Feesten nieuwe partners op deze manier?

Echtgenoot:    Ja, ik geloof van wel …

Echtgenote:    Mag ik dansen …?

Echtgenoot:    Ja, dat denk ik wel.

Echtgenote:    Met jou.

Echtgenoot:    Dit is de uitgestelde behoefte.

                       (De vrouw komt dichtbij hem staan … Wij horen harde muziek die van buiten het toneel komt. De man pakt rustig de hand van de vrouw en omhelst haar op dezelfde, rustige wijze. Er komt een man op met een cassetterecorder waar de harde muziek uitkomt; hij zet de recorder op een van de zitplaatsen en gaat op de andere zitten. Hij gebaart de echtgenoten te dansen. Ze proberen te dansen, maar ze botsen met elkaar … Ze stoppen. De man beveelt ze te blijven dansen. Ze proberen weer te dansen in harmonie met de muziek. Ze worden moe. De man gebaart ze te stoppen, pakt de recorder en stopt de harde muziek voordat hij afgaat. )

Echtgenoot:    Dansen nieuwe partners op deze manier?

Echtgenote:    Dat denk ik wel.

Echtgenoot:    We zullen hem moeten dumpen.

Echtgenote:    We kunnen hem in zee gooien.

Echtgenoot:    Hoe dan?

Echtgenote:    We moeten eerst de zee vinden.

Echtgenoot:    (iets later) Hier is onze slaapkamer.

Echtgenote:    De wind valt ons aan en het zand is ons voedsel.

Echtgenoot:    Hier slaapt mijn kleine kind en daar slaapt het oudste.

Echtgenote:    Ze gaan in een andere kamer slapen.

Echtgenoot:    Waar?

Echtgenote:    Daar.

Echtgenoot:    Daar, daar, daar; ik heb behoefte om te gaan bidden en alcohol te drinken tot ik dronken word.

                        (We horen een man in de handen klappen. Zodra ze dat horen gaan de echtgenoten vliegensvlug naar hun plaatsen toe. De man komt op en trekt een grote doos met zich mee … Met de doos nadert hij de echtgenoten. Hij opent een kant van de doos. Uit de doos haalt hij een aantal drankflessen en twee servetten. Een van de servetten hangt hij om de hals van de echtgenote en hetzelfde doet hij bij de echtgenoot. Hij geeft hun allebei mes en vork … Hij haalt borden vol met eten uit de doos en klapt in zijn handen, waarop de echtgenoten gaan eten … Zodra ze beginnen te eten klapt de man weer in zijn handen om ze te laten stoppen … Hij beveelt ze mes en vork op de doos te leggen. Daarop kijkt de echtgenoot naar zijn echtgenote en door zijn beweging met het mes begrijpt de echtgenote dat het moment is gekomen om de man te doden. Hun handen beginnen te trillen en beide messen vallen op de grond. De man beveelt ze de messen op te rapen van de grond en op de doos te leggen … Hij gebaart ze de servetten op te vouwen … Hij geeft ze twee tandenborstels en beveelt ze hun tanden te poetsen. Ze gehoorzamen als kinderen en poetsen hun tanden. Daarna geven ze de tandenborstels weer terug. De man applaudisseert voor wat ze gedaan hebben. Hij trekt de doos met zich mee en gaat af …)

Echtgenoot:    Ik eet niet, tenzij ik honger heb.

Echtgenote:    Dat geldt ook voor mij.

Echtgenoot:    Nu voel ik de neiging om me te verootmoedigen. (hij pakt een paar flessen, loopt naar het midden van het toneel en zet de flessen in het zand) Hier zal ik aan mijn religieuze verplichtingen voldoen; hier zal ik schreeuwen. (even later … hij drinkt) Maar tegen wie? Het is belangrijk dat ik schreeuw; er is zeker iemand die mij zal horen.  (hij probeert te schreeuwen, maar het lukt hem niet; Hij probeert het nog eens en nog eens, en hij valt op de grond)

Echtgenote:    Het is onze huwelijksdag; ja, zo vieren we hem en er is niets anders dan dit feest. En wat mooi is deze dans! Sinds mijn geest is opgewekt, bemin ik het leven en zie ik mijn grote glimlach in de spiegel. Ik droomde van deze enige, beloofde nacht met jou, maar je slaapt en misschien droom je wel. Misschien word je niet meer wakker. Er rest ons niets anders dan te drinken. Ik explodeer, maar we vieren het zo; wat geweldig, wat mooi.

                       (De man, deze keer gekleed als docent, komt op. Hij draagt twee schooltassen in zijn handen. Hij loopt naar de spoorboom en hangt daar de schooltassen aan. Hij gaat af.)

Echtgenoot:    Ooh … lange jaren heb ik alleen maar gelegen. Ik moest gewoon wakker worden. (hij komt dichtbij de tassen en pakt er een) Hoe is het met je, mijn zoon? Heb je goed geslapen? Slaap, maar niet te lang. Word steeds weer wakker en lach. Kun je lachen? Probeer altijd te lachen; probeer het een keer, of twee keer, of zelfs meer dan miljoenen keren. Het zal je wel een keer lukken en dan lach je. (hij komt dichtbij de tweede tas en haalt er een paar tekeningen uit) En jij, mijn kleintje; teken je nog? Waar heb je die trieste gezichten en die uitgebloeide bloemen vandaan, terwijl je nog geen vijf jaar oud bent? Teken, en misschien lukt het jou te schreeuwen, zodat je mij wekt uit mijn diepe slaap en mijn vreselijke nachtmerries. 

Echtgenote:    (ze neemt een van de tassen van de man) Je bent te laat voor school en dit is je tas. Doe voorzichtig als je oversteekt en kijk uit. Let op de weg en pas op voor de voetgangers. Wees maar waakzaam. Ren maar niet achter de stemmen aan, let niet op de sterren, eet jouw voedsel en dans. (ze neemt de andere tas) Ik hou van je, mijn kleintje, hoewel ik jouw vogel liet ontsnappen omdat ik zijn lijden niet kon aanzien. Jouw dunne draad snijdt als een mes in zijn pootje; hij moest worden bevrijd. (even later) Kom op; het is schooltijd.

                       (Ze draagt beide tassen en wil het toneel afgaan, maar de man komt op en houdt haar tegen. Ze loopt achteruit tot ze bijna valt. Op dat moment pakt de man hardhandig de tassen – die ze stevig probeert vast te houden – van haar af en gaat rustig af.)

Echtgenote:    O God, bewaak ze in uw genade.

Echtgenoot:    Laat ze maar uit je genade vallen.

Echtgenote:    Hoe?

Echtgenoot:    Laat de vogel stikken en het papier scheuren, en vermeng de veren van de witte duif met het bloed.

Echtgenote:    Zullen we dansen?

Echtgenoot:    De stemmen … daar, hier, dus de tijd voor bidden is voorbij.

Echtgenote:    Wie vermoordt de vogel?

Echtgenoot:    De stem van de wind.

Echtgenote:    Wie scheurt het papier?

Echtgenoot:    Het bloed.

Echtgenote:    Vermeng je het bloed met de veren van de witte duif?

Echtgenoot:    Hoe lang zijn wij getrouwd? Een jaar, twee, tien?

Echtgenote:    Min of meer.

Echtgenoot:    En de droom?

Echtgenote:    Hij is gebroken op de drempel van het huis.

Echtgenoot:    lange jaren en het huis is zonder dak. God, hoezeer hoop ik op het dak van het huis te staan en de sterren van de nacht te tellen. (even later) Je moest mij stimuleren in het bouwen van het dak.

Echtgenote:    De eerste stap van de droom was van mij.

Echtgenoot:    We moeten het plafond maken.

Echtgenote:    En de muren?

Echtgenoot:    Ik weet het niet. (even later) Hij is laat.

Echtgenote:    Onmogelijk.

Echtgenoot:    Laten we de tafel schoonmaken. (Ze gaan de flessen die op de grond liggen opruimen. De man verschijnt en draagt nog meer flessen naar binnen, legt die neer en gaat weer weg.)

Echtgenote:    Zullen we hem doden?

Echtgenoot:    Hoe?

Echtgenote:    Wat?

Echtgenoot:    Doden. (even later) Wie doden we?

Echtgenote:    Gaan we drinken?

Echtgenoot:    Laten we dan drinken …(Ze drinken)

                        (Een korte stilte)

Echtgenote:    Hij zal terugkomen.

Echtgenoot:    We gaan hem zeker doden.

Echtgenote:    Hij doodt ons en dan gaan we dansen.

Echtgenoot:    Dan gaan we slapen.

Echtgenote:    Hij is laat.

Echtgenoot:    Onmogelijk.

                       (De man verschijnt terwijl hij meer flessen draagt en een wit tafellinnen… hij spreidt die uit op een van de zitplaatsen en hij probeert de flessen op de zitplaats en op de grond netjes te zetten.)

Echtgenote:    Doden we hem?

Echtgenote:    Wie?

Echtgenote:    Drinken we?

Echtgenoot:    Laten we dan drinken …

Echtgenote:    Dus …

Echtgenoot:    (staat op met een fles in zijn hand) Laten we zijn dood maar tot morgen uitstellen.

Echtgenote:    We stellen zijn dood al jaren lang uit.

Echtgenoot:    We hebben tot nu toe geen gelegenheid gehad.

Echtgenote:    En het huis?

Echtgenoot:    We drinken; laten we drinken. ….Ik ga je een korte tijd verlaten.

Echtgenote:    Waar?

Echtgenoot:    Ik ga mijn gezicht in de spiegel bekijken.

Echtgenote:    En dan?

Echtgenoot:    Dan bekijk ik mijn gezicht in de spiegel.

Echtgenote:    En dan?

Echtgenoot:    Ik zal de jaren tellen.

Echtgenote:    En dan?

Echtgenoot:    Wacht ik op de dag van morgen.

Echtgenote:    En dan?

Echtgenoot:    Wacht ik op de dag na morgen.

Echtgenote:    En dan?

Echtgenoot:    Dan is misschien het uur van zijn dood gekomen.

Echtgenote:    En het plafond van het huis?

Echtgenoot:    Laten we dan drinken …

Echtgenote:    (kijkt zoekend om zich heen alsof ze zich eenzaam en vervreemd voelt) Ik hoop dat de roeping komt. (ze verzamelt flessen in beide handen  - tegen haar romp – totdat het zo vol is dat er geen fles meer bij kan; en elke keer als ze een fles toevoegt, valt er weer een, en dat zet ze op deze wijze voort) Ik ga al die flessen begraven, ik ga aarde uitgraven en daarmee bouw ik ons huis en de kamer voor ons kleintje, daarin bergen we onze dromen op en ook de kinderspelletjes. (ze gaat door met het verzamelen van de flessen, zet ze op een zitplaats en pakt een klauwhamer) Ik ga aarde uitgraven. (ze graaft in de aarde alsof ze een ritueel uitvoert) Wat is dat? Dat zijn ook flessen. (ze haalt een paar flessen uit de kuil) Wie heeft de droom gestolen?.. Kijk, het zijn oude flessen; waarom heb je niet gezegd dat je van tevoren aan het bouwen van het huis hebt gedacht?

Echtgenoot:    Ik heb vroeger nooit gegraven en de tijd van de droom is één; ik was al jaren met jou en ik heb nog nooit hier gegraven, of daar.

Echtgenote:    Maar het zijn dezelfde flessen. (terwijl ze modder en stof van de flessen verwijdert) Kijk, er zit wat in.

Echtgenoot:    (neemt de fles van haar aan; hij probeert ook de fles schoon te maken) Het is een papier; ik maak hem open. (hij maakt de fles open en haalt het papier eruit … hij probeert in stilte te lezen) Jij hebt deze flessen begraven!

Echtgenote:    Nee.

Echtgenoot:    Dan ben ik gek.

Echtgenote:    Misschien.

Echtgenote:    Jij misschien ook.

Echtgenote:    (neemt het papier aan en leest) Ik was een kind en ik ben oud aan het worden.

Echtgenoot:    (gaat snel naar de kuil, haalt er weer een fles uit en maakt die snel open; hij haalt er een ander papier uit en leest) Dat geldt ook voor mij. (hij haalt er nog meer flessen uit en gooit die naar zijn vrouw)

Echtgenote:    (slaat een fles kapot terwijl ze leest) Het is mooi dat we ´s nachts slapen en ´s ochtends weer wakker worden.

Echtgenoot:    Precies.

Echtgenote:    Wat er gebeurde, geloof ik niet; dat zeg je elke dag tegen mij.

Echtgenoot:    Dat zeg jij ook.

Echtgenote:    Ik wil de toestand niet zo laten; ik moet iets veranderen. Ik moet, ik moet,… (ze wordt moe en valt op de grond)

Echtgenoot:    Ik ben heel erg moe.

Echtgenote:    Onder onze voeten zijn de jaren versleten; zo vluchtig.

Echtgenoot:    Ik heb behoefte om te plassen.

Echtgenote:    Doe maar.

Echtgenoot:    Ik stel het uit tot morgen.

Echtgenote:    Doe maar.

Echtgenoot:    Het plafond maken?

Echtgenote:    Nee, plassen op de plaats waar je nu bent.

Echtgenoot:    Ik zal op de tv plassen.

Echtgenote:    Hebben we dan een televisie?

Echtgenoot:    Twee, in de toekomst.

Echtgenote:    Sinds lange tijd heb ik niet naar een liedje geluisterd.

Echtgenoot:    Alle zangers zijn dood.

Echtgenote:    Laten we dan dansen.

Echtgenoot:    Samen. (ze proberen te dansen)

Echtgenote:    Stel je voor dat je op het dak van het huis bent en ik ben een briesje dat in de lucht zwemt.

Echtgenoot:    Wat fijn ben jij; je bent fantastisch.

Echtgenote:    Hé, je kunt het leven proeven.

Echtgenoot:    Je bent mijn vrouw.

Echtgenote:    Je bent mijn man.

Echtgenoot:    Dit herinner ik me elke keer als de honden blaffen.

Echtgenote:    De giftige gassen bevinden zich niet alleen hier.

Echtgenoot:    Hij is laat.

Echtgenote:    De dood gaat door.

Echtgenoot:    Hij is laat.

Echtgenote:    De stemmen doen ons opschrikken.

Echtgenoot:    Hij is laat.

                        (De man komt binnen terwijl hij meer flessen meedraagt; hij legt de flessen op verschillende plaatsen; hij ruimt het witte tafellinnen op en gaat weg.)

Echtgenote:    O, hij is gekomen

Echtgenoot:    (met zachte stem) De brandoven doet ons opschrikken.

Echtgenote:    Ik ben bang voor mijn twee kinderen; ze zijn daar naartoe gebracht.

Echtgenoot:    Ze zijn laat.

Echtgenote:    Ik ben bang voor ze.

Echtgenoot:    Ze zijn laat.

Echtgenote:    Er is geen nieuws meer over hen.

Echtgenoot:    Misschien.

Echtgenote:    Waar zijn ze nu?

Echtgenoot:    We krijgen geen brieven.

Echtgenote:    Ze zijn laat.

Echtgenoot:    Hij is niet zoals hij was toen hij vertrok met zijn soldaten uniform en zijn zwarte, zware kistjes. (even later) Jij bent niet geschapen voor die kaki kleur, mijn kleine zoon. (even later) Jij bent een verzameling van alle kleuren en jouw ziel is het hoogste goed. Hoe bestaat het dat jij je kwast hebt ingeruild voor een geweer? En jij met je glimlachende gezicht; ze hebben je uit je schoolklas weggerukt, je in een uniform gepropt en niets omvat jou behalve een ijzeren helm en kistjes van stierenhuid. Dit zijn jouw fictieve grenzen, maar jouw begin het hart van de hemel en er is geen grens aan jouw bestaan. (even later) Hoe gaat het met jullie, en met de honger en de kou? En met de angst en de trieste nacht? God alleen kent mijn waanzin. Ik wil het uitschreeuwen.

Echtgenote:    Zodra ze weer terug zijn, gaan we het plafond maken.

Echtgenoot:    Ik zal een sterk plafond maken, met muren die de kogels zullen weren. (even later) Ze zijn laat.

Echtgenote:    Onmogelijk.

                        (Het geluid van kogelschoten herhaalt zich met korte tussenpozen totdat het stil wordt … Vanaf het dak worden de twee schooltassen één voor één naar beneden gegooid. Daarna worden de schoolboeken en de tekeningen naar beneden gegooid en achter de spoorboom komen twee poppen van twee volwassen personen omlaag. Tijdens die val bewegen de echtgenoten zich in de richting van de poppen en zodra die twee poppen achter die spoorboom omlaag komen, komt de man binnen die tegelijkertijd een aantal flessen neergooit waardoor de echtgenoten worden stilgezet op hun plaatsen.)

Echtgenoot:    Je moest de draad in het pootje van de vogel laten snijden, zodat de duistere nacht hem niet bedekt.

Echtgenote:    Ik was bang dat het zijn handen zou besmeuren.

                        (harde klappen zijn te horen buiten het toneel; de echtgenote rent naar haar zitplaats … zij zit … de echtgenoot rent in een iets lager tempo naar zijn zitplaats … zij zitten en kijken het publiek aan … de man komt binnen en heeft nog meer flessen bij zich … veel van de drankflessen legt hij tegenover de echtgenoten.)

Echtgenoot:    Hij moest standhouden.

                        (de man legt andere flessen voor de echtgenote neer)

Echtgenote:    Hij moest doorgaan.

Echtgenoot:    (nadat de man een andere fles voor hem heeft neergezet) De oorlog is voor mannen.

Echtgenote:    De dood ..

Echtgenoot:    (snel) .. voor de vijanden.

Echtgenote:    We zullen ze in zee gooien.

Echtgenoot:    Ook als het ons de laatste druppel bloed kost.

Echtgenote:    Ons bloed is het offer voor de brandoven.

                        (Ze herhalen de laatste zinnen zonder dat we het begrijpen…) De oorlog is voor mannen; ons bloed is het offer voor de brandoven; we zullen ze in zee gooien; dood voor de vijand; ook als het ons de laatste druppel bloed kost.

                        De man glimlacht nadat hij alle flessen heeft neergezet en hij gaat af.)

Echtgenoot:    Drinken wij …

Echtgenote:    (probeert de twee poppen te bekijken; tegelijkertijd horen we achter de coulissen het geluid van het reken van flessen; daardoor gaat ze angstig terug naar haar plaats) Laten we dan drinken.

Echtgenoot:    Ik was een kind en ik ben oud aan het worden.

Echtgenote:    Dat geldt ook voor mij.

Echtgenoot:    Hebben wij kinderen?

Echtgenote:    Twee.

Echtgenoot:    Daar ben ik zo bang voor geweest.

Echtgenote:    Drinken we.

Echtgenoot:    Laten we dan drinken.

Echtgenote:    Dus dit is een andere dag?

Echtgenoot:    Voor wie?

Echtgenote:    Ik weet het niet.

Echtgenoot:    Worden zo de ouders verdrietig?

Echtgenote:    Dat denk ik wel.

Echtgenoot:    Daar slaapt mijn kleine zoon en mijn oudere zoon.

Echtgenote:    Ze slapen in een andere grond.

Echtgenoot:    Waar?

Echtgenote:    Daar.

Echtgenoot:    Ik heb behoefte om te schreeuwen.

Echtgenote:    Toe maar!

Echtgenoot:    Hoe?

Echtgenote:    Net zoals ik.

Echtgenoot:    Ik zei tegen hem: `Teken maar. Zodat je kunt schreeuwen en mijn stilte doorbreekt`.

Echtgenote:    Hij kreunt.

Echtgenoot:    Laten we dan drinken.

Echtgenote:    We drinken.

                        (De man verschijnt, gekleed als conducteur. Er hangt een aantal flessen om zijn nek en hetzelfde aantal trekt hij achter zich aan … Hij loopt naar de spoorboom … Hij doet de spoorboom omhoog …. Hij loopt er onderdoor … Hij gaat rechtop staan met zijn rug naar het publiek, hij blaast op zijn fluitje en we horen van verre het geluid van een naderende trein …

                        De trein stopt … (een korte stilte) De man blaast weer op zijn fluitje en gebaart de trein door te rijden … De trein zet zich in beweging en we horen hetzelfde geluid als aan het begin van het toneelstuk … Tijdens het bewegen van de trein doet de man de spoorboom weer omlaag en gooit hij alle flessen die hij heeft naar de echtgenoten … Hij beveelt ze te drinken …

                        Tijdens deze scène horen we de laatste dialogen van de echtgenoten herhaald worden. Ook met stemmen die we nauwelijks kunnen verstaan: `De oorlog is voor mannen; ons bloed is het offer voor de brandoven; we zullen ze in zee gooien; dood voor de vijand; ook als het ons de laatste druppel bloed kost.` Op dat moment zien we op de gezichten van de echtgenoten – die naar het publiek kijken – de tranen over hun wangen rollen zonder dat ze huilen.)

Echtgenoot:    (met moeite; alsof we hem bijna niet horen) Wij drinken.

Echtgenote:    (ook met moeite; alsof we haar bijna niet horen) Laten we dan drinken …

Samen:            We drinken; laten we dan drinken …

                       (ze herhalen de dialoog, huilen, totdat de woorden niet meer hoorbaar zijn, het licht langzamerhand wordt gedoofd en het toneel helemaal donker wordt.)